donderdag 11 februari 2010

Samenzwerinkjes (11.2.2010 nrc.next)

Schokkende berichtgeving in de Britse krant Independer afgelopen maandag: oliemaatschappij Exxonmobil geeft honderdduizenden dollars aan denktanks die klimaatsceptici ondersteunen. De wetenschappers in het artikel spreken van een hetze, een samenzwering, een zorgvuldig georkestreerde campagne die levensgevaarlijke twijfel zaait.

In tijden van klimaatpaniek is zelfs het allerkleinste samenzwerinkje in de geschiedenis van de samenzweringen nieuwswaardig. Honderdduizend dollar, daar koop je nog niet eens een spreekbeurt van Al Gore voor. Maar toch, de klimaathysterische lezers knikken eenstemmig ‘zie je wel’.

Ik ben ziek van de onzin bij beide kampen, van het geklets over wie wie financiert, wie onder het juk zit van de oliemaatschappij en wie bij de milieubeschermingsmaffia hoort. Wie e-mails heeft gestolen, wie data heeft gemanipuleerd en wie keihard liegt over hoeveel van Nederland onder water ligt, of wanneer de gletsjers in de Himalaya weg zijn. Oh pardon, dat waren geen leugens. Het waren foutjes, die sluipen er zo in, ook in een wetenschappelijk rapport, echt waar.

Het heeft allemaal niets met wetenschap te maken. De invloed van een –niet geheel onbelangrijke factor- als de zon op het klimaat wordt nauwelijks begrepen. Toch beweert het milieukamp dat ze de temperatuursstijging in 2100 tot achter de komma kunnen voorspellen met een betrouwbaarheid die hoog genoeg is om honderden miljarden aan klimaatinvesteringen wereldwijd te verantwoorden. Aan de andere kant ligt het sceptische kamp dat zich snel ontwikkeld heeft tot het nieuwe afvalputje van de wetenschap: daar lopen mensen rond die nog steeds beweren dat roken geen kanker veroorzaakt en lood in benzine een goed idee was.

Waar is het kamp van de common sense? Het kamp dat toegeeft dat we nog niet genoeg begrijpen van het klimaat om conclusies te trekken. Het kamp dat het daarom niet minder belangrijk vindt om van onze olieverslaving af te komen. Ik wil de wetenschappers horen die uitleggen dat het klimaat nog één grote black-box is en dat we het nog lang niet met een model kunnen beschrijven. Maar deze mensen maken geen films, ze ontmaskeren geen aandoenlijke samenzwerinkjes, ze hebben het te druk met relevante wetenschap. Wetenschap die ons ooit zal uitleggen, hoe het écht zit.

maandag 8 februari 2010

De gevaarlijke publicatie van sterftecijfers in ziekenhuizen (NRC Handelsblad 8 februari 2010)

Stel dat uw moeder in het ziekenhuis wordt opgenomen met een verwoestende beroerte. Binnen een dag verandert ze van een vrolijke, zelfstandige vrouw in een zielig hoopje ellende. Ze kan zich niet meer verstaanbaar maken, niet meer zelf eten, lopen of naar het toilet en is ook nog eens ernstig in de war. Na twee weken krijgt ze een longontsteking. De familie, verslagen door verdriet besluit dat het het beste is als oma aan de longontsteking komt te overlijden.
'
In sommige gevallen is de dood de beste zorg die een patiënt kan krijgen. Maar nu de sterftecijfers van ziekenhuizen binnenkort zullen worden gepubliceerd, mag oma niet meer dood. De longontsteking wordt behandeld met een antibioticum en ze wordt zelfs nog een keer gereanimeerd als dat nodig mocht zijn. Na twee weken gaat ze volledig verlamd en zonder enkele kwaliteit van leven, naar een verzorgingstehuis om daar te sterven.

Nu ziekenhuizen gedwongen worden om de sterftecijfers te publiceren dreigt dit scenario reëler te worden. Het waren RTL Nieuws en Elsevier die in hun niets ontziende zucht naar het ontmaskeren van slechte ziekenhuizen en artsen, de openbaarmaking eisten. De Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) ging schoorvoetend akkoord: halverwege dit jaar zullen de eerste ziekenhuizen tot publicatie overgaan.

Om te voorkomen dat de sterfte van drie extra doodzieke oma’s ervoor zorgt dat een ziekenhuis keldert in de ranglijst, moeten de sterftecijfers eerst gewogen worden. Dan pas kan er een ranglijst worden opgesteld. Deze weging wordt gedaan met de zogenaamde Hospital Standardized Mortality Rate (HSMR), die onder andere rekening houdt met leeftijd, geslacht en ernst van de diagnose. De NVZ heeft de gewogen cijfers in 2011 beloofd.

De dood van oma uit het voorbeeld tikt minder aan als de cijfers gewogen worden. Maar of ze daardoor toch niet in leven gehouden zal worden is onwaarschijnlijk. Het is nu eenmaal een natuurwet dat concurrerende organisaties de kwaliteitscriteria waarop ze beoordeeld worden zullen optimaliseren. Dus als de ranglijsten dicteren dat kwaliteit van zorg gelijk staat aan ´zo min mogelijk sterfte´, dan zal het ziekenhuis er alles aan doen om mensen in leven te houden.

Een lage plaats in de ranglijst blijft namelijk niet zonder gevolgen. Onder druk van prestatiecontracten zijn ziekenhuizen steeds ‘productiegerichter’ gaan werken. En een ziekenhuis waar die ‘productie’ van levensbelang is, kan zich geen sensatiebelust RTL Nieuws item permitteren over een slechte rating. Als de patiëntenaantallen teruglopen, gaan ze failliet. Ze móeten dus wel meedoen met deze waanzin. De concurrent doet het namelijk ook.

Maar dat maakt RTL Nieuws niets uit. Sterker nog, ze hebben haast en willen niet wachten tot 2011 voordat de gewogen cijfers worden gepubliceerd. In januari begonnen ze zelfs nog een procedure waarin ze de resultaten bij minister Ab Klink opeisten. En dat terwijl alles erop wijst dat ziekenhuizen helemaal niet klaar zijn voor de ranking. Dat bleek onder andere uit een eerste onderzoek naar de vergelijking tussen zes ziekenhuizen op basis van de HSMR die in Engeland wordt gebruikt.

De resultaten waren dramatisch. In sommige gevallen kwamen de verschillen tussen de ziekenhuizen neer op zestig procent. En dat was niet omdat in Nederland er nu zulke levensgevaarlijke medische instellingen te vinden zijn. Een voorbeeld: toen het Zaans Medisch Centrum als eerste ziekenhuis in Nederland zijn sterftecijfers presenteerde bleek dat de sterfte onder 65+-ers die met een bepaald hartinfarct werden opgenomen boven het landelijk gemiddelde lag. De reden: ten onrechte werden patiënten meegeteld die binnen twee uur na opname overleden waren, en waar het ziekenhuis dus minimale invloed op had gehad. Als deze score echt was opgenomen in een ranglijst, was het Zaans Medisch Centrum onterecht gekelderd in de wedstrijd tussen ziekenhuizen, met alle slechte publiciteit en financiële gevolgen van dien. En dit is nog maar één diagnose: er moeten tientallen van dit soort zwaarwegende omstandigheden en uitzonderingen juist gecodeerd worden, in tientallen ziekenhuizen.

Ook de regionale functies die instellingen op zich nemen spelen een rol: in veel gevallen worden ernstig zieke patiënten doorverwezen naar één bepaalde specialist in één bepaald ziekenhuis. Dat komt de sterftecijfers zeker niet ten goede. In sommige regio’s is maar één ziekenhuis uitgerust met een palliatieve unit, waar specialistisch zorg voor stervenden wordt aangeboden. Een beetje competitieve raad van bestuur sluit die afdeling. Omdat misschien één zo’n doodzieke patiënt niet zo zwaar meetelt in de rating, maar honderd van dat soort patiënten wel.

Dat het monitoren van kwaliteit in ziekenhuizen belangrijk is, lijkt me duidelijk. En tijdens vergelijkingen tussen instellingen kunnen onnodige risico’s en fouten aan het licht komen en kan de zorg in Nederland als geheel verbeterd worden. Maar het dreigt nu pijnlijk duidelijk te worden, dat dit een taak is voor de Inspectie voor de Gezondheidszorg en niet voor de media. De publicatie van de sterftecijfers gaat de kwaliteit van de zorg niet verbeteren. Sterker nog, ziekenhuizen zullen zich richten op het in leven houden van mensen, in plaats van het verlenen van de beste zorg mogelijk. Het enige wat deze nieuwe ranglijst zal verbeteren zijn de kijkcijfers van het RTL Nieuws.

woensdag 3 februari 2010

perverse solidariteit? (nrc.next 03.02.2010)

De studiebeurs: links of rechts, groen of christelijk, niemand weet meer of ze voor of tegen moeten zijn. Want maakt die studiebeurs de universiteit nou juist toegankelijk voor de armen, of subsidieer je er gewoon de rijken mee?

Bos vindt dat laatste. In 2006 deed hij de historische uitspraak: “het is perverse solidariteit dat de slager meebetaalt aan de opleiding van de notaris”.

Het is makkelijk schieten op die zin. Sinds wanneer is het meebetalen van de slager perverse solidariteit? Nederlandse slagers behoren niet bepaald tot de laagste inkomensklassen van Nederland. En trouwens, aan wie verdient die slager zijn geld eigenlijk? Laagverdieners gaan gewoon naar de Digros voor de kiloknallers.
Rond de studiebeurs hangt de sfeer van jaloezie, van ‘gratis geld voor de rijken’. Groen Links kamerlid Dibi speelde daar graag op in. In november stelde hij voor dat iedereen die na zijn studie een bovenmodaal inkomen heeft, zijn leven lang 1% meer belasting moeten inleveren om hun studie terug te betalen.

Meneer Dibi lijdt daarmee overduidelijk aan een ernstig gebrek van realiteitszin. Gelooft hij nu echt dat de armere Nederlander zich blauw betaalt aan belasting voor de studies van de rijkere Nederlander? Tijdens de laatste Algemene Financiële Beschouwingen in de Eerste Kamer rekende Staatssecretaris de Jager van financiën het voor ons uit: de 10% Nederlanders die het minst verdienen brengen 0% op van de totale inkomstenbelasting. De volgende 10% betalen ook 0% mee. Het zelfde geldt voor de derde groep. De vierde en de vijfde groep dragen allebei 1% bij aan de inkomstenbelasting. De top tien procent brengt 72 procent op. De rest wordt opgehoest door de andere bovenmodalers.

Ergo: De laagverdiener draagt niets bij. Zijn AOW, zijn WAO, zijn kinderbijslag, bijna alles wat hij krijgt wordt betaald door de rijken. De bovenmodaal verdienende Nederlander betaalt dus allang voor zijn eigen studie. En dat niet alleen, hij betaalt ook voor al het andere onderwijs van alle Nederlanders.

En nu zou hij nog 1% extra moeten bijdragen? Over perverse solidariteit gesproken.

donderdag 28 januari 2010

Bokje (nrc.next 28.01.2010)

De stroopwafel viel niet in goede aarde. Mijn Joodse gastvrouw in Tunesië rook er aan, stopte het toen voorzichtig in haar mond, kauwde even en keek me toen heel wantrouwend aan. ‘Is het wel koosjer?’ vroeg ze met volle mond. Ik knikte. Volgens mijn joodse regels was het heus wel een beetje koosjer. ‘Zit er dan soms melk in’? Natuurlijk zat er melk in, roomboter zelfs. Resoluut spuugde ze het stukje uit. ‘C’est péché!’ verklaarde ze.

Het woord péché leerde ik snel bij de Tunesische joden. Het betekent zondig. En als ik niet zo’n waardeloze jood was geweest had ik kunnen bedenken dat consumptie van melk na vlees zondig is. In de bijbel staat ‘je zult een bokje niet koken in de melk van de moeder’ en een beetje orthodoxe jood leeft dat tot op moleculair niveau na: dat betekent dus niet alleen dat cheeseburgers verboden zijn, maar ook dat er speciale melkbekers zijn die, daar kom ik die middag achter, NIET afgewassen mogen worden in de gewone keuken. ‘C’est péché!’ brengt moeder wanhopig uit als ze binnen komt. En dat alleen maar om dat stomme bokje.

Op sjabbat kom ik er pas echt achter wat voor afvallige ik ben. Op vrijdagavond reik ik de dochter pen en papier aan met de vraag of zij haar emailadres op wil schrijven. Dat is dom. Natuurlijk wil ze dat niet, schrijven is verboden, want schrijven is werken en werken is péché. En dat maakt veel onmogelijk op sjabbat. De geiser aansteken voor een warme douche is namelijk ook werken. Een DVD’tje kijken is werken. De koelkast opendoen is werken, want de deur van de koelkast drukt een lampje aan, en licht aansteken is ook werken.

Terwijl ik met moeder op het stoepje voor het huis niet zit te werken voel ik mijn telefoon trillen in mijn broekzak. Het is mijn vader. Hij is ook een waardeloze jood. Elke vrijdagavond belt hij om me sjabbat sjalom te wensen. Ik neem niet op. Bellen op vrijdagavond is péché.

Ik word er puberaal van. ’s Nachts luister ik stiekem onder de dekens naar mijn Ipod en eet de andere helft van de stroopwafel op. Dat is allemaal absolument, tout à fait péché. Ik hoop dat als ik wakker wordt sjabbat nog maar heel eventjes duurt.

maandag 25 januari 2010

Over straat (nrc.next 25.01.2010)

Ik ben een week op het Tunesische schiereiland Djerba. Op de eerste ochtendga ik een stokbrood kopen. De receptionist legt het uit: een paar honder meter verderopzit aan de rechterkant een bakker. Maar al na een paar stappenbuiten de deur van het hotel begin ik me onprettig te voelen. Overal hangen mannen rond. De enige vrouw die ik tegenkom zit verstopt achter meerdere sluiers en wordt begeleid door haar echtgenoot.

Ik loop langs een koffiehuis. Dat is niet zo’n leuke ervaring. Op het terras zitten tientallen mannen, die mij allemaal nastaren. Er klinkt geroep. Er klinkt dat vieze gesmak van door de lucht toegeworpen kussen. Ik steek snel over, maar ook daar valt een man me lastig door me links noch rechts voorbij te latengaan. Als opgeschoten wild schiet ik om hem heen. Na nog twee koffiehuizen gepasseerd te zijnheb ik geen zin meer. Ik besluit het stokbrood te laten zitten.

In de lobby van het hotel haalt een Duitse reisbegeleider zijn schouders op. ‘ Als vrouw kan je beter niet alleen over straat gaan’ zo vertelt hij. ‘Dat is hier nu eenmaal de cultuur’. Ik probeer te bedenkenwat nog meer ‘nu eenmaal de cultuur’ is. Hoe mijn leven hier eruit zou zien. Hoe vaak ik ergens niet naartoe zou kunnen? Hoe vaak ik mijn mening voor me zou moeten houden. Hoe vaak ik een onderneming zou moeten staken bij gebrek aan mannelijke begeleiding?

Maar ach, ‘ dat is nu eenmaal de cultuur’. Een cultuur, die niet beter of slechter zou zijn dan de Nederlandse. Ook vandaag de dag geloven mensen in Nederland nog in de multiculturele samenleving: dat we op een of andere manier verrijkt zoudenworden door vermenging met dit soort culturen en dat de seksistische, discriminerende inborst nu eenmaal als onderdeel geaccepteerd zou moeten worden.

Terug in mijn hotel ben ik binnen gaan zitten. De zon schijnt op mijn balkon, maar zelfs daar werd ik niet met rust gelaten door het publiek voor het hotel. Pas als mijn mannelijk reisgezelschap weer terug is, kan ik in deze cultuur weer zorgeloos over straat. Ik heb me nog nooit zo gediscrimineerd gevoeld.

woensdag 13 januari 2010

Commissie Davids (13 januari 2010)

Nu ik dit schrijf, net na de persconferentie van Balkenende, vrees ik voor het kabinet. Waar de PvdA het rapport ‘verontrustend’ noemt, verwijst de premier alle conclusies van de commissie Davids naar het rijk der fabelen, behalve de onschadelijke.

Zo’n kabinetscrisis is allerminst ondenkbaar. Het zal niet de eerste keer zijn dat een kabinet struikelt over een onderzoeksrapport naar een oorlog. Ook bij Srebrenica ging het over ‘gebrek aan regie’ van de minister-president en ‘gebrek aan informatie’ van het ministerie van defensie. Toen besloot het kabinet Kok ook op te stappen op basis van een oorlog die al jaren geleden had plaatsgevonden. En natuurlijk ging het daar wél over een militaire missie, maar toch, ik vrees met grote vrezen.

Ik vrees dat Bos besluit om nog even wat politieke spierballen te laten zien als mosterd na de maaltijd. Dat hij nog even net gaat doen alsof met de PvdA niet te sollen valt, terwijl onder hun bewind de JSF er wél kwam en een parlementaire enquête niet.

Dat een partij dan ineens op zijn strepen gaat staan is ook niet zonder precedent: D66 had al meerdere malen over zich heen laten lopen voordat ze (om de Ayaan-kwestie) het kabinet in 2006 uiteindelijk besloten op te blazen. En voor de duidelijkheid: D66 stond er toen ook niet florissant voor in de peilingen.

Zou het door zijn hoofd spoken? Zou Bos serieus overwegen om ermee te kappen? Om ons land achter te laten met een gigantische staatsschuld, een onhoudbaar uitgavenpatroon en geen enkel uitzicht op spoedige verbetering daarvan? Reken maar uit hoe lang het duurt voordat er weer een slagvaardig kabinet zit: achtereenvolgens komen er verkiezingen, daarna formatieperiode, onderhandelingen, kabinetscrisis (veroorzaakt door 5 nieuwe PVV-ministers), verkiezingen, 100 dagen rondneuzen, en dan wellicht, als het meezit, een voorzichtige bezuiniging. Ik voorspel dat we anderhalf jaar stuurloos zullen ronddobberen.

Zouden ze het overwegen? Kiezen onze hoogste bestuurders voor hun eigen politieke hachje of voor het welzijn van dit land? Met opstappen zouden ze Nederland geen slechtere dienst kunnen bewijzen. Ik vrees met grote vrezen.

woensdag 6 januari 2010

(nrc.next 6 januari 2010)

Toen de vingerafdrukken centraal werden opgeslagen was er nog wat tegenstand. En toen de telefoongegevens ineens werden bewaard alsof we allemaal criminelen zouden zijn werd er ook nog wat gemord. Maar tegen de bodyscans vond men het moeilijk om argumenten te vinden. Ik ken niemand die oprecht verontwaardigd is, die zich in zijn burgerrechten voelt aangetast.

En stel dat iemand het wel een probleem vindt? Hebben we dan nog recht van spreken als we zelf doorgaan met het online plempen van al onze digitale informatie omdat toch alleen onze 680 vage vrienden (en hun vrienden) het kunnen zien? Straks koppelt iedereen Linkedin aan Twitter aan Facebook aan Gmail en dan nóg moeten we gedwongen worden om moeilijkere wachtwoorden te kiezen. Dan nog zuchten we ongeduldig als we eerst uitgebreid op de privacy-bescherming worden gewezen voordat we onze creditcard gegevens ergens invullen.

De meerderheid van Nederland geeft niet meer om privacy. Zodra er ook maar één mislukte aanslag plaatsvindt wordt er gesmeekt om bodyscans, eist men dat iedereen die vliegt eventjes visueel gevisiteerd wordt, zonder verdenking, zonder aanleiding. We geven ons de hele dag bloot op internet, waarom zouden we dan een probleem maken van zo’n apparaat?

En weinig mensen kunnen nog overtuigend uitleggen waarom privacy belangrijk is. Sophie in ’t Veld kwam maandag in Pauw en Witteman niet verder dan dat het allemaal wel meevalt met de terrorismedreiging. GroenLinks gniffelde wat in het parlement over genitaliën die te zien zouden zijn. En zelfs Bits of Freedom kan het probleem van privacyschendingen niet concretiseren. Zij noemen ook vooral de kosten als nadeel van bodyscans.

Zodra de kosten als argument in een discussie over een essentieel burgerrecht mee gaan tellen, dan heeft dat essentiële burgerrecht zijn beste tijd gehad. Misschien heeft de meerderheid van Nederland wel gelijk en hoef je geen belang meer te hechten aan antieke begrippen als ‘persoonlijke levenssfeer’ en ‘lichamelijk integriteit’. Ik hoop van harte dat het recht op privacy inderdaad niet de moeite waard was om te verdedigen. En vooral hoop ik dat we geen belangrijke gevaren over het hoofd hebben gezien.